Hoge Raad oordeelt over recht op transitievergoeding bij ontslag op staande voet

Is een werkgever bij een ontslag op staande voet een transitievergoeding verschuldigd? Dat is een vraag die de gemoederen sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid( WWZ) bezig houdt. De Hoge Raad heeft hierover recent een uitspraak gedaan.De discussie in de literatuur

Voor een ontslag op staande voet is een ‘dringende reden’ vereist. In de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is het begrip ‘dringende reden’ niet gewijzigd. De Hoge Raad heeft al eerder geoordeeld dat voor een dringende reden niet is vereist dat een werknemer verwijtbaar heeft gehandeld. In de WWZ is ook bepaald dat een transitievergoeding niet is verschuldigd, als een werknemer ‘ernstig verwijtbaar’ heeft gehandeld of nagelaten. In de literatuur is daarom ook bepleit, daar de ‘dringende reden’ bij de invoering WWZ niet is gewijzigd, bij geen ernstig verwijtbaar handelen toch een transitievergoeding moet betalen.

Er is ook een groep in de literatuur, die bepleit dat bij ontslag op grond van een ‘dringende reden’ de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is. De wetsgeschiedenis van de WWZ bevat veel onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. De wetgever zou zich er niet van bewust zijn geweest dat een transitievergoeding moet worden betaald als er geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid van de werknemer.

De feiten

De werknemer is in dienst getreden bij Dräger als magazijnbeheerder/bediende voor 40 uren per week. Bij de werkgever is een regeling alcohol- en drugsbeleid van toepassing, die inhoudt dat werknemers voor aanvang en tijdens het werk niet onder invloed van alcohol, drugs en/of medicijnen mogen verkeren. Op 19 augustus 2015 verschijnt de werknemer onder invloed van alcohol op het werk en krijgt een officiële waarschuwing. Op 17 maart wordt de werknemer op staande voet ontslagen omdat hij onder invloed van alcohol op zijn werk is verschenen.

De kantonrechter en het Gerechtshof hebben het verzoek van de werknemer om een transitievergoeding afgewezen. Het Gerechtshof heeft over de verwijtbaarheid van de werknemer niets overwogen.

Het advies van de A-G

De A-G van de Hoge Raad heeft in haar conclusie in deze zaak op 18 januari 2018 geadviseerd te oordelen dat bij een terecht ontslag op staande voet geen recht kan ontstaan op een transitievergoeding ongeacht de mate van verwijtbaarheid.

Het oordeel van de Hoge Raad (ECLI: NL:HR:2018:484)

In cassatie voert de werknemer aan dat het Gerechtshof het oordeel van de kantonrechter heeft bekrachtigd, maar niet over de mate van verwijtbaarheid en de transitievergoeding heeft overwogen. Als het Hof van oordeel is geweest dat in geval van een rechtsgeldig ontslag nooit recht zou bestaan op een transitievergoeding is dat volgens de Hoge Raad onjuist. Het Hof heeft dan miskend dat met het bestaan van een dringende reden niet is gegeven dat het ontslag te wijten is aan de werknemer door ernstig handelen of nalaten. Als het Hof dat niet heeft miskend, heeft het zijn beslissing onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu werknemer gemotiveerd heeft bepleit dat hem wegens alcoholverslaving geen of hooguit gering verwijt kan worden gemaakt.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder a BW de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding moet betalen als de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de werkgever het initiatief heeft genomen voor beëindiging. Deze vergoeding is niet verschuldigd als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Ondanks ernstig of nalaten van de werknemer kan de rechter de transitievergoeding toch toekennen als dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De Hoge Raad herhaalt dat voor een dringende reden niet is vereist dat de werknemer van zijn gedragingen daarvan een verwijt kan worden gemaakt (zie: ECLI:NL:HR:2000:AA7282). De WWZ heeft hierin geen verandering gebracht. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt: ‘Voor ernstige verwijtbaarheid is meer nodig dan een dringende reden’. Uit de wetgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever een transitievergoeding bij ontslag heeft willen uitsluiten: ‘Wel vervalt bij ernstige verwijtbaarheid van de werknemer – dus ook bij ontslag op staande voet- de aanspraak van de werknemer op een transitievergoeding…. Wat betreft de vraag over een dringende reden in combinatie met geen verwijtbaarheid van de werknemer en het wel/niet verschuldigd zijn van een transitievergoeding, luidt het antwoord dat in die situatie uiteraard een transitievergoeding verschuldigd is’.

De Hoge Raad concludeert dat niet is uitgesloten dat een werknemer die rechtsgeldig op staande voet is ontslagen, recht heeft op een transitievergoeding.