Maatstaf beoordeling ontslaggrond verstoorde verhoudingen

Voor ontslag vanwege verstoorde verhoudingen is niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid van de werknemer. Dat de werkgever een verwijt kan worden gemaakt staat ook aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet in de weg. Zo besliste de Hoge Raad recent in haar arrest van 16 februari 2018.

De feiten

De werknemer was sinds 2009 werkzaam als IT specialist bij de werkgever. Eind 2013/begin 2014 wordt de werknemer van de buitendienst geplaatst in de binnendienst. Er vindt een e-mail wisseling plaats tussen werknemer en werkgever over het niet meer beschikken over een auto van de zaak. De werkgever heeft uiteindelijk genoeg van deze e-mailwisseling.

Vervolgens ontstaat er discussie over de invoering van een avonddienst. De werknemer wil niet meewerken aan deze onderhoudsdienst.

Het functioneren en de werkhouding van de werknemer worden met de werknemer besproken. Er wordt een verbeterplan opgesteld van zes maanden als laatste kans. De verhoudingen verslechteren en uiteindelijk wordt de werknemer op non-actief gesteld, nadat de werkgever ontdekt dat de werknemer meerdere male bedrijfsinformatie naar zijn privé e-mail adres had gestuurd en deze verwijderd heeft uit de verzonden items

De werkgever verzoekt onder meer de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g-grond, zijnde verstoorde verhoudingen.

De kantonrechter wijst het verzoek af. Het Gerechtshof ontbindt de arbeidsovereenkomst omdat voldoende aannemelijk is dat de verhouding met de leidinggevende, de directie en collega’s in de loop van de tijd verslechterd is. Blijkens de e-mail correspondentie kan de werknemer zich niet neerleggen bij beslissingen of situaties die zijn ontstaan. De inhoud en de toon van deze e-mails hebben tot irritatie geleid.

De door de werknemer verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen.

In cassatie bestrijdt de werknemer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, omdat voor ontslag op grond van verstoorde verhoudingen verwijtbaarheid van de werknemer vereist is en dat dit niet mogelijk is als de werkgever op de verstoring van de arbeidsverhouding heeft aangestuurd.

Het oordeel van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:220)

Voor ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding ex artikel 7:669 lid 3 sub g BW (de g-grond) is niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring van de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf niet aan de ontbinding in de weg.

Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding aan een partij, of aan beide partijen, verwijtbaar is, legt wel gewicht in de schaal, maar die omstandigheid behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn.

De Hoge Raad oordeelt dat in het oordeel van het Gerechtshof ligt besloten dat de werkgever niet doelbewust heeft veroorzaakt. Een herplaatsing ligt niet in de rede.

Voor het toekennen van een billijke vergoeding is ook geen grond. De ontbinding wordt gerechtvaardigd door een verstoorde arbeidsverhouding die reeds ten tijde van de schorsing aanwezig was.