Rechtbank Limburg stelt prejudiciële vragen over slapende dienstverbanden

De rechtbank Limburg heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de beëindiging van slapende dienstverbanden onder toekenning van de transitievergoeding.

De feiten

De werknemer is sinds 1986 in dienst van werkgever als allround monteur. Na een periode van verzuim ontvangt hij sinds januari2018 een IVA uitkering op grond van de WIA. De werknemer heeft de werkgever meerdere malen verzocht het dienstverband te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding. De werknemer heeft voorgesteld het bedrag van de transitievergoeding te beperken tot het bedrag dat de werkgever in 2020 krijgt gecompenseerd door UWV op grond van de compensatieregeling. De werkgever heeft het verzoek van de werknemer afgewezen. Werknemer is van mening dat de werkgever de norm van het goed werkgeverschap ex artikel 7:610 BW schendt en schadeplichtig is.

De werknemer stelt dat de werkgever gehouden is een redelijk voorstel van een werknemer (in de zin van Stoof Mammoet) tot beëindiging van het slapende dienstverband te accepteren op basis van het goed werkgeverschap en heeft de rechtbank verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

Artikel 392 Rechtsvordering

Ingevolge artikel 392 Rechtsvordering kan een (lagere) rechter een prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad. Een dergelijke vraag kan worden gesteld wanneer er sprake is van een geschil dat is gestoeld op een veel voorkomend feitencomplex. Alsdan bestaat er namelijk een groot maatschappelijk belang om de vraag te beantwoorden, zodat soortgelijke geschillen kunnen worden beslecht met dezelfde uitkomst. Als een rechter een vraag stelt aan de Hoge Raad wordt de procedure bij de rechtbank uitgesteld totdat de vraag is beantwoord. Daarna wordt met inachtneming van de antwoorden van de Hoge Raad alsnog door de rechtbank beslist. Gemiddeld neet een prejudiciële procedure bij de Hoge Raad circa zes maanden in beslag.

Verschillende recente uitspraken over slapende dienstverbanden

Na twee jaar arbeidsongeschiktheid eindigt voor een werkgever doorgaans de loondoorbetalingsverplichting. Als duidelijk is dat de werknemer niet zal herstellen binnen 26 weken en in die periode niet herplaatst kan worden in een andere functie, kan de arbeidsovereenkomst na verkregen toestemming van UWV worden opgezegd, waarbij de werkgever de transitievergoeding verschuldigd is. Werkgevers die daar niets voor voelen houden het dienstverband slapend, hetgeen door de rechtspraak niet in strijd met het goed werkgeverschap werd bevonden.

Inmiddels is de Wet compensatie transitievergoeding aangenomen en vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers het UWV verzoeken het bedrag van de transitievergoeding bij het einde van het dienstverband van een arbeidsongeschikte werknemer te compenseren. Het lijkt erop dat deze wet de situatie van de slapende dienstverbanden wezenlijk zou kunnen veranderen.

Echter is nog steeds een groot aantal werkgevers die ondanks het bestaan van deze compensatieregeling het dienstverband slapend houden. Een aantal werknemers heeft de rechter verzocht de werkgever te veroordelen het dienstverband te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding. Recente uitspraken van de lagere rechters zijn wisselend.

Er zijn uitspraken waarin geoordeeld wordt dat het in standhouden van het dienstverband in die situatie strijd oplevert met het goed werkgeverschap (Scheidsgerecht Gezondheidsrecht 27 december 2018, Kort Geding Rechtbank Den Haag, 28 maart 2019).

De rechtbank Overijssel oordeelt in een ontbindingsverzoek op 21 maart 2019 anders. Het behoort, aldus de kantonrechter, tot de keuzevrijheid van de werkgever een arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot opzegging en de Wet compensatie transitievergoeding maakt dat niet anders. Een werkgever moet tevens aanzienlijke bedragen voorfinancieren. Een werkgever handelt niet ernstig verwijtbaar. Wel zou er volgens de kantonrechter onder omstandigheden een andere situatie kunnen ontstaan na 1 april 2020, die wel kan uitgroeien tot een situatie van ernstige verwijtbaarheid.

Rechtbank Limburg, 10 april 2019 (ELCI:NL:RBLIM:2019:3331)

In de onderhavige zaak is de kantonrechter doordrongen van het probleem van de slapende dienstverbanden: ,Het moet immers meer dan aannemelijk worden geacht dat achter ieder slapend dienstverband een werknemer, al dan niet met gezin, schuil gaat die door hem/haar overkomen omstandigheden werkloos is geworden met alle financiële gevolgen van dien en het hem/haar bij wet toegekende recht op een transitievergoeding niet geldend kan maken’.

Gelet op de dusver bestendige jurisprudentie lijkt, volgens de kantonrechter, de route van ernstige verwijtbaarheid en de schending van de normen van goed werkgeverschap een doodlopende. Daarbij speelde de compensatieregeling over het algemeen nog geen rol. Echter dat is nu anders en dat leidt tot onderling tegengestelde uitspraken, waarbij de kantonrechter verwijst naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag en Overijssel.

In deze procedure wordt door de werknemer een andere route gekozen, de route via een redelijk voorstel in de zin van Stoof-Mammoet en deze route is naar eigen zeggen van de advocaat van werknemer nog niet voorgesteld.

Er is volgens de kantonrechter een grote maatschappelijke behoefte aan een richtinggevend standpunt van de Hoge Raad en de kantonrechter kan zich vinden in het verzoek prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

De gestelde vragen gaan over de gehoudenheid van een werkgever om een redelijk voorstel van een werknemer tot beëindiging van het slapende dienstverband te accepteren op grond van het goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW ( een omgekeerde Stoof-Mammoet situatie). De gekozen insteek om betaling van de transitievergoeding af te dwingen lijkt nieuw.

We kijken met belangstelling uit naar de antwoorden van de Hoge Raad.