Uitsluiting AOW-gerechtigde van transitievergoeding geen leeftijdsdiscriminatie

De Hoge Raad heeft op basis van prejudiciële vragen van de kantontrechter geoordeeld, dat het uitsluiten van een AOW-gerechtigde van de transitievergoeding geen verboden vorm van leeftijdsdiscriminatie oplevert.Artikel 7:673 lid 7 onderdeel b BW

Bij de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is in artikel 7:673 lid 7 onderdeel b BW geregeld dat een werkgever geen transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd is indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst geschiedt in verband met of na het bereiken van de AOW en- en/of pensioengerechtigde leeftijd.

In de literatuur en rechtspraak is de vraag gesteld of dit artikel verboden onderscheid naar leeftijd oplevert.

De feiten

Werknemer is op 1 januari 1195 in dienst getreden van het Diakonessenhuis. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Ziekenhuizen van toepassing, waarin is geregeld dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Per 2016 is de arbeidsovereenkomst van werknemer geëindigd wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van 65 jaar en zes maanden. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de bepaling in artikel 7:673 lid 7 onderdeel b, dat geen transitievergoeding verschuldigd is indien het eindigen van een arbeidsovereenkomst geschiedt in verband met of na het bereiken van de AOW- en/of pensioengerechtigde leeftijd, een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert. Onder verwijzing naar het arrest van Gerechtshof Den Bosch van 2 februari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:345), verzoekt werknemer de kantonrechter de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen.

Het oordeel van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:651)

De Hoge Raad oordeelt dat in casu de situatie van toepassing is dat de arbeidsovereenkomst eindigt wegens het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd of een hogere leeftijd. Er is daarmee sprake van een direct op leeftijd gegrond verschil in behandeling en derhalve van directe discriminatie op basis van de Europese Richtlijn.

Volgens de richtlijn leveren verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen (verboden) discriminatie op, als deze in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Lidstaten hebben een ruime beoordelingsvrijheid bij beslissingen over doelstellingen van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid en de wijze waarop zij deze doelstellingen kunnen verwezenlijken (HvJ, EU 26 februari 2105, ECLI:EU:C:2015: 115, Landin)

Legitiem doel

De Hoge Raad oordeelt dat het uitsluiten van een transitievergoeding wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel. Met de regeling van de transitievergoeding in de WWZ heeft de wetgever beoogd het ontslagrecht eenvoudiger, sneller en goedkoper te maken en het stelsel meer te richten op het vinden van een nieuwe baan. Met het uitsluiten van de transitievergoeding wordt voorkomen dat de transitievergoeding toekomt aan een categorie van personen voor wie de vergoeding niet is bedoeld. Mede tegen de achtergrond van het algemene doel van de WWZ het ontslag voor werkgevers minder kostbaar te maken, moet het doel legitiem worden geacht.

Passend en noodzakelijk

De regel is volgens de Hoge Raad ook passend en noodzakelijk. De uitsluiting berust op een bewuste keuze van de wetgever, aan wie ten aanzien van werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid een ruime beoordelingsvrijheid toekomt en maakt onderdeel uit van het stelsel van het nieuwe ontslagrecht als geheel. Daarbij is van belang dat deze werknemers, ter compensatie van het wegvallen van zijn inkomen uit arbeid, in het algemeen aanspraak kunnen maken op een AOW-uitkering. Dit brengt niet mee, dat bij werknemers die geen volledige AOW-uitkering hebben opgebouwd, er op excessieve wijze inbreuk wordt gemaakt op de legitieme belangen van deze werknemers.

Geen ruimte voor individuele toetsing

De Hoge Raad oordeelt ten slotte dat er geen ruimte is voor een individuele toetsing omwille van de praktische uitvoerbaarheid van de regeling. Gelet op de doelstelling het ontslagrecht eenvoudiger, sneller en minder kostbaar te maken én met het abstracte en gestandaardiseerde karakter van de regel van de transitievergoeding, past niet dat in individuele gevallen getoetst zou moeten worden of er aanspraak bestaat op een (geheel of gedeeltelijke) transitievergoeding. In het geval dat de werknemer geen volledige AOW-uitkering heeft opgebouwd en in zodanige financiële omstandigheden verkeert dat hij aangewezen blijft op inkomsten uit arbeid, is er dus geen ruimte voor individuele toetsing door de rechter.