Geen aanspraak op gedeeltelijke transitievergoeding bij herplaatsing in lager betaalde functie

Een herplaatsing in een andere lager betaalde functie geeft geen aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding. Zo oordeelt de Hoge Raad naar aanleiding van prejudiciële vragen.De Kolom-beschikking

In de zogenaamde Kolom-beschikking heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1617) in 2018 geoordeeld dat bij een structurele en substantiële (tenminste 20%) vermindering van de arbeidsduur sprake is van gedeeltelijk ontslag. Er is dan ook een gedeeltelijke transitievergoeding verschuldigd.

De feiten in deze zaak

De werknemer is fulltime werkzaam als lerares. Op de arbeidsovereenkomst is Cao-PO van toepassing. De werknemer wordt arbeidsongeschikt verklaard voor 48,49 %. Vanwege arbeidsongeschiktheid wordt ze herbenoemd in de functie van onderwijsassistent voor 0,8 Fte met een lager salaris. De werknemer verzoekt in rechte primair de betaling van de volledige transitievergoeding van 51.135,14 euro bruto, subsidiair de transitievergoeding van 10.227,03 euro bruto voor de werktijdfactor van 0,2 Fte. De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen.

Prejudiciële vragen

Het Hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De centrale vraag is of een vermindering van de arbeidsduur gelijkgesteld dient te worden met een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging? Bestaat in dat geval ook recht op een transitievergoeding naar evenredigheid van de salarisvermindering?

De beslissing van de Hoge Raad (ECLI:NL:2020:749)

De Hoge Raad oordeelt op 17 april 2020 dat op basis van het wettelijke stelsel een beëindiging van de arbeidsovereenkomst een voorwaarde is voor het ontstaan van het recht op een transitievergoeding. Met dit wettelijke stelsel is niet verenigbaar dat aanspraak ontstaat op een gedeeltelijke transitievergoeding door herplaatsing in een functie met een lager salaris.

Herplaatsing in een andere functie is geen vorm van beëindiging zoals bedoeld in artikel 7:673 BW. De herplaatsing is ook niet op een lijn te stellen met gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsduur in de Kolombeschikking, waar het ging om een geval waarin de arbeidsovereenkomst door vermindering van de arbeidsduur gedeeltelijk was beëindigd. Als de werknemer een inkomensachteruitgang heeft als gevolg van de combinatie van een structurele salarisvermindering van de arbeidsduur van tenminste 20% en herplaatsing in een lagere functie met een lagere functie, bestaat evenmin aanspraak op een (gedeeltelijke) transitievergoeding. Er is dan geen sprake van een substantiële vermindering van de arbeidsduur zoals bedoeld in de Kolom-beschikking.

De Hoge Raad merkt op dat de benoeming in een andere functie op grond van de Cao-PO op hetzelfde neerkomt als herplaatsing in een andere functie bij dezelfde werkgever door wijziging van de arbeidsovereenkomst, zonder dat ontslag is verleend. In artikel 20 van de ZAPO is tevens bepaald dat ontslag alleen mogelijk is als er geen reële plaatsingsmogelijkheden zijn. Uit artikel 7:699 BW volgt ook dat ontslag alleen mogelijk is als de werknemer niet herplaatst kan worden.

In dit geval is dus, nu de arbeidsduur van de werknemer is verminderd van honderd naar tachtig procent, sprake van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor 20%, die de werknemer aanspraak geeft op een gedeeltelijke transitievergoeding van 10.227,03 euro.