skip to Main Content

Rechtsvermoeden urenomvang na afwijzing vaste urenomvang, ook bij NOW

Werknemer met oproepcontract wijst het aanbod van werkgever voor vaste urenomvang af. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer aanspraak maakt op loon op basis van de gemiddelde van de afgelopen drie maanden, ook nu werknemer vanwege de corona maatregelen niet heeft gewerkt.

De feiten

De werknemer werkt sinds 2017 op basis van een oproepcontract (nulurencontract) in de toeristenbranche. Op basis van artikel 7:628a BW heeft de werkgever in januari 2020 een vaste urenomvang aangeboden van 28 uur, welk aanbod de werknemer niet heeft geaccepteerd. De werknemer verzoekt in maart 2020 de arbeidsomvang te bepalen op 18 uur, maar dit is door de werkgever afgewezen.

De werknemer wordt vanwege de lockdown vanaf half maart 2020 niet meer opgeroepen voor arbeid. De werkgever vult het salaris in april 2020 aan op basis van het gemiddelde aantal gewerkte uren in de afgelopen drie maanden (januari, februari en maart 2020). De werkgever heeft inmiddels de NOW aangevraagd. De werknemer vindt de afgelopen periode geen representatieve periode en vordert loon voor 28 uur per week.

Het oordeel van de kantonrechter (ECLI:NL:RBAMS:2020:4354)

De regeling van artikel 7:628a BW staat het beroep op de rechtsvermoedens niet in de weg. Dat de werknemer niet instemt van het aanbod voor een vaste urenomvang, impliceert niet dat hij instemt met een arbeidsomvang van nul uren. Er is weliswaar een nulurencontract gesloten, maar de feitelijke invulling was de laatste jaren anders.

De werknemer heeft onvoldoende gesteld dat het jaar 2019 geldt als referteperiode. De rechter neemt in aanmerking dat de werknemer het aanbod voor een vaste arbeidsomvang van 28 uur ook niet heeft geaccepteerd. De toeristenbranche kent wisselende periodes, maar het is niet de bedoeling de periode waarin het meest gewerkt is als referteperiode te nemen. De kantonrechter gaat derhalve uit van de referteperiode van het gemiddelde aantal uren in de afgelopen drie maanden.

Het verweer van de werkgever dat de werknemer geen aanspraak heeft op loon omdat hij niet heeft gewerkt, wordt afgewezen. De coronacrisis is een exceptionele omstandigheid die niet zonder meer in de risicosfeer van werkgever of werknemer valt. Doorslaggevend voor de belangenafweging is dat de werkgever reeds gebruik maakt van de NOW-regeling van de overheid. De bedoeling van deze regeling is het salaris door te betalen.

De loonaanspraak van de werknemer voor 28 uren per week wordt afgewezen. Wel maakt de werknemer aanspraak op basis van het gemiddelde aantal uren in de maanden januari tot en maart 2020.

Back To Top