Geen recht op thuiswerken tijdens de coronacrisis

Het zeer algemeen geformuleerde overheidsadvies over ‘zoveel mogelijk thuis werken’ tijdens de coronacrisis grijpt niet zo ver dat daaruit een ‘recht op thuiswerken’ volgt. Zo oordeelt de kantonrechter in de eerste rechtszaak over thuiswerken tijdens de coronacrisis.

Wat speelde er in deze zaak?

Een commercieel medewerkster binnendienst heeft vanaf 15 maart 2020 thuis gewerkt. Op 6 mei laat de werkgever weten dat er weer op kantoor moet worden gewerkt. Er zijn veiligheidsmaatregelen getroffen. De werknemer vordert in kort geding om in ieder geval tot 1 september te mogen thuiswerken of tot een datum waarop de overheidsmaatregelen nog gelden in verband met de coronacrisis. Doordat collega’s zich niet houden aan de regels van afstand houden, voelt de werknemer zich onveilig. De werknemer voert tevens aan dat ze thuis efficiënt en prima heeft kunnen werken.

De werkgever geeft aan dat er in verband met de coronacrisis meerdere maatregelen zijn genomen om een veilige werkplek te waarborgen. De werknemer ontkent dat niet, maar geeft aan dat de maatregelen niet goed worden nageleefd. De werkgever geeft aan dat de zaken drukker zijn geworden na het opengaan van de horeca op 1 juni 2020 en dat de werknemer nodig is op de werkvloer.

Het oordeel van de kantonrechter (ECLI:NL:RBGEL:2020:2954)

De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer af. De werkgever heeft gemotiveerd en onderbouwd naar voren gebracht dat zij in verband met de coronacrisis meerdere maatregelen heeft genomen om een veilige werkplek te waarborgen. Dat werkneemster heeft ervaren dat maatregelen niet werden nageleefd, neemt het voorafgaande niet weg. Al aannemende dat deze observatie juist is, leidt dit niet tot de conclusie dat de corona-maatregelen stelselmatig worden overtreden op de werkvloer. Dit lijkt eerder een incident te zijn geweest in de net opstartende fase van het weer op kantoor komen werken. Daarnaast heeft de werkgever gemotiveerd onderbouwd waarom het van belang is dat de werknemer weer op het werk aanwezig moet zijn.

Het zeer algemene overheidsadvies van ‘zoveel mogelijk thuiswerken’ grijpt niet zover in op deze specifieke rechtsverhouding van werknemer daaruit een ‘recht op thuis werken’ kan putten. Het standpunt van de werknemer dat dit overheidsadvies de instructiebevoegdheid van de werkgever inperkt en/of op grond van redelijkheid en billijkheid zonder meer door een goed werkgever gevolgd moet worden, houdt geen stand.