Ja, oordeelt de Hoge Raad op 7 oktober 2022. Dan is de werkgever de aanzegvergoeding toch verplicht te betalen. Wat was er aan de hand?

Een werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 mei 2019 tot 1 december 2019. Op 30 oktober van dat jaar informeert de directeur de werknemer in een gesprek dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet. De werknemer heeft een baan per 1 december 2019.

Hij claimt de aanzegvergoeding van één maandsalaris omdat de werkgever hem niet schriftelijk heeft geïnformeerd.

In artikel 7:688 BW is geregeld dat de werkgever een werknemer één maand voor het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de werknemer schriftelijk moet informeren:

  • over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst;
  • bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet.

Komt de werkgever deze verplichting niet na, is er een aanzegvergoeding van maximaal één maandsalaris verschuldigd.

Deze verplichting geldt niet bij een arbeidsovereenkomst voor minder dan zes maanden.

De werknemer kreeg gelijk. Volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1374) gaat het om een regel van dwingend recht. Het doel is de rechtspositie van de werknemer te versterken, zodat tijdig duidelijkheid wordt verkregen over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.

Een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zal alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen.

De werkgever moet de aanzegvergoeding dus betalen, ook al heeft de werknemer geen nadeel geleden.

Heeft u hierover vragen? Als ervaren arbeidsrecht advocaat help ik u graag.

Neem gerust telefonisch contact met me op 076-520 1455 of stuur uw vraag per e-mail naar info@vanderhoevenadvocatuur.nl.